loyaal, betrokken en persoonlijk

WGA verzekering

Ruim zestig procent van de mensen die een uitkering uit de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) ontvangen, is 45 jaar of ouder. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. De helft van alle volledig en duurzaam arbeidsongeschikten is zelfs 55 jaar of ouder.  Bij gedeeltelijk of niet-duurzaam arbeidsgeschikten vormen 45-54-jarigen de grootste groep. De verdeling man-vrouw is nagenoeg gelijk.  Uit CBS-cijfers blijkt verder dat het aantal nieuwe WIA-uitkeringen licht is gestegen. In de eerste helft van 2008 werden 12.000 nieuwe WIA-uitkeringen verstrekt, duizend meer dan het jaar ervoor. In totaal werden vorig jaar (inclusief de al bestaande uitkeringen) 49.000 uitkeringen verstrekt, waarvan 11.000 aan volledig arbeidsongeschikten en bijna 38.000 aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten. 

De WIA kent drie soorten arbeids(on)geschiktheid:

  • Minder dan 35% arbeidsongeschikt
  • Minstens 35% maar minder dan 80% arbeidsongeschikt, òf minstens 80% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt (WGA, hieronder)
  • Minstens 80% èn duurzaam arbeidsongeschikt (IVA, hieronder)

Iemand die meer dan 65% arbeidsgeschikt (ofwel minder dan 35% arbeidsongeschikt) is, krijgt geen WIA-uitkering. Hij blijft in principe in dienst van de werkgever. Wel wordt hij aangemerkt als arbeidsgehandicapte, wat wil zeggen dat hij recht heeft op subsidies en andere ondersteuning om te kunnen blijven (of gaan) werken.

Daar waar enige jaren geleden nog een schale verzekeringsoplossing was in de vorm van een WGA-gat verzekering, zijn de huidige oplossingen veel beter. Naast het inkomensverlies waarmee de werknemer wordt geconfronteerd door zijn arbeidsongeschiktheid, kan er ook sprake zijn van werkloosheid. Dit is het geval als een werknemer zijn restverdiencapaciteit niet volledig benut, omdat hij geen passend werk kan vinden. Met de WGA-Gat verzekering Uitgebreid wordt zowel de arbeidsongeschiktheids als de werkloosheidscomponent verzekerd. De verzekering vult aan tot 70% van het verschil tussen het oude (gemaximeerde) en nieuwe loon.

Mocht u meer info wensen neem dan contact met ons op.

Het WGA-gat verzekerd!

Nu de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (afgekort WIA) de WAO vervangt, ontstaat er een geheel nieuwe inkomenssituatie voor werknemers die sinds 1 januari 2004 ziek thuis zitten of werknemers die onverhoopt arbeidsongeschikt raken. Het grote verschil tussen beide wetten is, dat de WAO kijkt naar wat werknemers niet meer kunnen, terwijl de WlA het accent legt op wat werknemers nog wel kunnen. Dit is positief voorzover het leidt tot meer inschakeling van gedeeltelijke arbeidsongeschikte medewerkers in het arbeidsproces. Hiertoe kent de WIA de prikkel dat wie gedeeltelijk werkt dit duidelijk terugziet in zijn inkomen. Omgekeerd is er voor gedeeltelijke arbeidsgeschikte werknemers die niet meer werken een sterke inkomensterugval.

De WIA bestaat uit twee onderdelen:

  • De regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten, de WGA;
  • De regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten, de IVA.

De WGA in het kort.

De WGA-regeling is de nieuwe wettelijke regeling voor gedeeltelijk en volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikten. Dit zijn werknemers die minstens 35% arbeidsongeschikt zijn. De uitkering in het kader van deze regeling bedraagt maximaal 70% van een gemaximeerd loon ad € 43.770,-. De werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, of slechts een geringe kans op herstel hebben, vallen onder de IVA-regeling.

De WGA-regeling bestaat uit twee uitkeringsperioden:

  1. de loongerelateerde uitkering
  2. een loonaanvulling óf de vervolguitkering

De eerste periode: de loongerelateerde uitkering.

  • Werkt iemand, dan bedraagt de uitkering 70% van het verschil tussen het oude (gemaximeerde) loon en het nieuwe loon.
  • Werkt iemand niet, dan is de uitkering 70% van het laatstverdiende (gemaximeerde) loon.

De uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering is - net als bij de WW -afhankelijk van iemands arbeidsverleden. Tot 2008 zal het UWV echter gebruik maken van onderstaande tabel voor het vaststellen van de duur van de uitkering.

Na afloop van de loongerelateerde uitkering bestaat recht op een loonaanvulling óf een vervolguitkering.

De tweede periode: de loonaanvulling of de vervolguitkering. Om na het verstrijken van de duur van de loongerelateerde uitkering in aanmerking te komen voor de loonaanvulling, moet een werknemer tenminste de helft van zijn resterende verdiencapaciteit benutten. Dit is het bedrag dat de werknemer gezien zijn arbeidsbeperking nog zou kunnen verdienen. Als de werknemer niet of onvoldoende werkt in verhouding tot zijn arbeidsbeperking, krijgt hij een vervolguitkering.

Loonaanvulling

Gebruikt de werknemer minimaal 50% van zijn resterende verdiencapaciteit, dan ontvangt hij een loonaanvulling van 70% van het verschil tussen het oude (gemaximeerde) loon en zijn restverdiencapaciteit.

Vervolguitkering

Een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer die niet werkt of met werk minder dan de helft verdient van zijn restverdiencapaciteit, heeft recht op een vervolguitkering. Deze uitkering is laag: een percentage van het wettelijk minimumloon. De loonaanvulling of vervolguitkering ontvangt de werknemer tot zijn 65e jaar. Voor het vaststellen van de uitkeringspercentages gebruikt het UWV onderstaande tabel.

Het WGA-Gat

Werknemers die de vervolguitkering ontvangen, vallen ná de loongerelateerde uitkering sterk terug in inkomen. Voor een deel komt dit omdat zij niet meer werken, dit is het zogenaamde WW-deel. De rest van deze terugval is het gevolg van de WGA: het WGA-Gat. Voor dit hiaat heeft De Amersfoortse de WGA-Gat verzekering ontwikkeld. De WGA-Gat verzekering biedt alleen dekking voor het arbeidson¬geschiktheidsdeel van de inkomensterugval. Onderstaand is in een aantal voorbeeldsituaties berekend wat het WGA-Gat en de WGA-Gat ver¬zekering voor het inkomen van arbeidsongeschikte medewerkers betekenen.

Praktijkvoorbeelden Ton

De onderstaande voorbeelden gaan uit van de situatie van Ton. Hij heeft een inkomen van € 40.000,-. Gedurende het le ziektejaar krijgt hij een uitkering van zijn werkgever van 100% en in het tweede ziektejaar van 70% van zijn laatstverdiende inkomen. Het minimumloon bedraagt € 16.391,-. Ton raakt arbeidsongeschikt en het UWV bepaalt dat hij nog maximaal € 20.000,- kan verdienen. Hij heeft een restverdiencapaciteit van € 20.000,- en is dus 50% arbeidsongeschikt (€ 20.000,- t.o.v. € 40.000,- is 50%). Om in de WGA niet terug te vallen naar de vervolguitkering dient Ton minimaal de helft van zijn restverdiencapaciteit te gebruiken. Hij moet dus minimaal € 10.000,¬verdienen.

  • Indien Ton € 10.000,- of meer verdient: geen WGA-Gat
  • Indien Ton minder dan € 10.000,- verdient: WGA-Gat

Situatie I: Ton maakt geen gebruik van zijn restverdiencapaciteit.

Na de loongerelateerde uitkering krijgt Ton een vervolguitkering van: € 16.391,- (minimumloon)* 35% (dit is het uitkeringspercentage bij 50% arbeidsgeschiktheid) = € 5.737,- Ton heeft een WGA-Gat verzekering afgesloten. Deze verzekering vult de wettelijke vervolguitkering aan tot: € 40.000,- (oude loon) x 35% (uitkeringspercentage) = € 14.000,-. Omdat Ton de vervolguitkering ontvangt van het UWV, keert de verzekering uit: € 14.000,- minus € 5.737,- (vervolguitkering) = € 8.263,-.

Situatie 2: Ton verdient € 6.000,-.

Ton verdient nog € 6.000,-. De verdere situatie is identiek aan die in voorbeeld 1. Zijn loongerelateerde uitkering wordt 70% van (€ 40.000,- minus € 6.000,-) = € 23.800,-. Zijn inkomen is dus € 29.800,-.

Na het verstrijken van de duur van de loongerelateerde uitkering voldoet Ton met zijn eigen verdiensten niet aan de 50% norm en valt derhalve ook in dit voorbeeld terug op de vervolguitkering. Hij krijgt een vervolguitkering van: € 16.391,- (minimumloon) * 35% (uitkeringsper¬centage bij 50% arbeidsgeschiktheid)= € 5.737.-. Daarnaast verdient hij nog € 6.000,-.

Ton heeft een WGA-Gat verzekering afgesloten. Deze verzekering vult de wettelijke vervolguitkering aan tot de formule: € 40.000,- (oud loon) x 35% (uitkeringspercentage) = € 14.000,-. Daar bovenop houdt Ton recht op hetgeen hij nog zelf verdient.

Omdat Ton de vervolguitkering ontvangt van het UWV, keert de verzekering uit: € 14.000,- minus € 5.737,- (vervolguitkering) = € 8.263,-. Daarnaast heeft Ton een inkomen van € 6.000,-.

Samen met zijn 'te lage verdiencapaciteit' van € 6.000,- en het verzekerde WGA-Gat heeft Ton nog een inkomen van € 20.000,-.

Situatie 3: Ton verdient vanaf het derde ziektejaar € 10.000,-.

Ton verdient nog € 10.000,-. De verdere situatie is identiek aan die in voorbeeld 1. Zijn loongerelateerde uitkering wordt 70% van (€ 40.000,- minus € 10.000,-) = € 21.000,-. In het totaal heeft Ton dus een inkomen van € 31.000,-. Na het verstrijken van de duur van de loongerelateerde uitkering voldoet Ton met zijn eigen verdiensten aan de 50% norm en krijgt derhalve een loonaanvulling. Hij krijgt een loonaanvulling van: 70 % van (€ 40.000,- (oude loon) minus € 20.000,-) (resterende verdiencapaciteit) = € 14.000,-. Daarnaast verdient hij nog € 10.000,-. In het totaal krijgt hij dus € 24.000,-. Ton heeft een WGA-Gat verzekering afgesloten. Omdat Ton een loonaanvullingsuitkering krijgt, keert de WGA-Gat verzekering niets uit. Immers deze keert alleen uit als er sprake is van een vervolguitkering. Als Ton daarnaast ook nog een WIA-excedentverzekering had gesloten die zijn loon aanvult tot 80% had hij uit het kader van de excedentverzekering een uitkering van € 2.000,- gehad; zijnde het verschil tussen 70% en 80% van € 20.000,- (het inkomensdeel door arbeidsongeschiktheid).

© 2016 Wijshoff & Partners - Volg ons op : facebook linkedin2 twitter print